De
Reformatie, jaargang 71, 28 september 1996, blz. 981-984
door: Jos
Douma
Zijn bijnaam ‘Abraham de Geweldige’ doet het niet vermoeden,
maar Abraham Kuyper kende uit ervaring de intimiteit en innigheid van de
binnenkamer als geen ander. Wie verder
wil komen in de Omgang met God kan ook terecht bij deze gereformeerde theoloog.
Kuyper was een mysticus.
De
evangelical Richard Lovelace heeft er in zijn boek Dynamics of Spiritual
Life op gewezen dat Kuypers theologie een krachtige ervaringskern kende
(‘Kuyper himself incorporated a powerful experiential core in his theological
outlook’). Lovelace ziet hier een tegenstelling met het karakter van de latere
Vrije Universiteit te Amsterdam, die soms bepaald werd door een bepaalde mate
van aversie tegen christelijke ervaring, een reactie op de excessen van het Nederlandse
Puritanisme. Kuyper kende die afkeer dus niet. Hij had weet van de ervaring van
het geloof. Hij kende uit eigen ervaring de Verborgen Omgang met God. Kuyper
was een mysticus.
Dat vindt
ook de dogmaticus B. Wentsel. In het vorig jaar verschenen deel 4a van zijn Dogmatiek
(het deel gaat over de Heilige Geest) noemt hij, schrijvend over de
theoloog Van Ruler, Abraham Kuyper een mysticus. ‘Van Ruler herinnert in menig
opzicht aan A. Kuyper sr., evenals hij een Geest-drager en Geest-doordenker,
meditatie schrijver , taalkunstenaar, mysticus en cultuurtheoloog. ‘ En al
eerder in zijn boek schreef Wentsel: ‘Kuyper was blijkens zijn vele meditaties
(een spiritueel hoogtepunt in zijn uiterst gerijpte leven) en andere
getuigenissen een bevindelijk type, een ervaringstheoloog, die dicht bij zijn
God leefde en kracht putte uit de Heilige Geest. ‘ Kuyper was een mysticus.
Die
bewering vraagt wel om enige toelichting. Die toelichting geef ik door eerst
aandacht te vragen voor het mediteren en de meditatie, door vervolgens kort in
te gaan op de term mystiek en door tenslotte iets van Kuypers mystieke
meditaties door te geven.
Mediteren
Abraham
Kuyper maakte gedurende een groot aantal jaren van zijn leven elke zondag een
paar uur vrij om een meditatie te schrijven. Hij schreef er niet minder dan
zo’n zesentwintighonderd. Ze verschenen in De Heraut en daarna ook in
gebundelde vorm. De theoloog V. Hepp heeft geschreven dat er misschien tijden
zullen aanbreken, dat Kuypers theologisch-wetenschappelijke werken alleen nog
maar door theologen zullen worden geraadpleegd, maar dat zijn meditaties onder
het Gereformeerde volk vele eeuwen lang een blijvende bron van zielsgenot
zullen zijn. En die voorspelling lijkt uit te komen (hoewel ik de indruk heb
dat ook de theologen de werken van Kuyper al niet meer lezen). Dit artikel is
er een teken van.
Maar het
valt ook te illusteren aan de herdruk in Amerika uit 1993 van meditaties van
Kuyper: In The Shadow of Death. Het gaat om een vertaling van Kuypers In
de schaduwe des doods uit 1893. Peter Y. de Jong schreef een voorwoord bij
die uitgave, waarin hij ingaat op het mediteren en de meditatie. Het mediteren
is een zaak die in de Schrift veel voorkomt. Izaäk ging vaak’ s avonds het veld
in om te mediteren. De Israëlieten worden er voortdurend aan herinnerd om de
machtige daden van God in herinnering te roepen. God zegt tegen Jozua: ‘Dit
wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht’ (Jozua 1:8).
In de eerste Psalm wordt van de rechtvaardige gezegd dat hij’ aan des HEREN wet
zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht’ (Psalm 1:2).
Van Maria wordt gezegd: ‘Zij bewaarde al deze woorden, die overwegende . in
haar hart’ (Lukas 2:19). En zo zijn er talloze plaatsen in de Schrift waar tot
uitdrukking komt dat het bewaren, het liefhebben, het overdenken en overpeinzen
en overwegen van Gods Woord een belangrijke plaats moet innemen in het
geestelijke leven van een gelovige. Want daar rust zegen op (Psalm 1:3). Dat is
nu mediteren. En dat is meer dan alleen maar bijbellezen, en meer dan alleen
maar je bijbelkennis vergroten, en meer dan bijbelstudie. Mediteren is biddend
en betrokken en in de sfeer van de Omgang met God de Woorden van God overwegen
en proeven en ernaar luisteren. ‘Smaakt en ziet dat de HERE goed is; welzalig
de man die bij Hem schuilt’ (Psalm 34:9).
Meditaties
Nu is
mediteren niet gemakkelijk. Er is rust voor nodig, en tijd, en concentratie. En
dat moet je leren. En daarom is het ook goed wanneer mensen daarbij geholpen
worden. En dat kan heel goed door middel van meditaties. Meditaties zijn in dit
geval dan geschreven overwegingen bij bijbelteksten. Nu is de ene meditatie de
andere niet. Wie de rubrieken ‘Meditatie(f)’, (andere namen zijn natuurlijk ook
mogelijk) in de verschillende kerkelijke bladen bekijkt, kan grote verschillen ontdekken.
De ene meditatie heeft het karakter van een samengevatte preek. Een andere
biedt een stukje exegese. Weer een andere is gevuld met persoonlijke invallen
van de schrijver. En een vierde bevat aantekeningen bij een actuele
gebeurtenis. Maar het komt maar weinig voor dat een meditatie werkelijk de naam
meditatie verdient. En dat is het geval bij een in de toonzetting van de Omgang
met God geschreven tekst die is ontstaan in een meditatief proces en die de
lezer uitnodigt tot persoonlijk verder-mediteren en het zoeken van (de Omgang
met) God.
Zulke
meditaties schreef Abraham Kuyper. Vooral in de bundels Nabij God te zijn (en
tot deze bundels beperk ik me hier verder). De meditaties die hij hier geeft
zijn in hoge mate bevindelijk, spiritueel, mystiek. Ze zijn geschreven door een
godvruchtig mens, die de hoogten en de diepten van de Omgang met God uit
ervaring kende. Ze zijn geschreven door een mysticus.
Mystiek
De term
mystiek valt. En dat lijkt op het eerste horen gevaarlijk. Want is er in de
mystiek niet per definitie sprake van een uitwissen van de grens tussen
Schepper en schepsel? En heeft mystiek niet alles te maken met vergoddelijking
van de mens, met pantheïsme en zelfrechtvaardiging, met de on-middellijke
werking van de Heilige Geest? Het valt niet te ontkennen dat er zulke mystiek
bestaat. En het valt ook niet te ontkennen dat er in de christelijke traditie
zulke mystiek gevonden wordt. Maar in de christelijke traditie en in de gereformeerde
traditie is ook ‘ware mystiek’ te vinden. (Ik kom in het volgende artikel,
over’ Schilder en de ware mystiek’, op dit onderwerp terug). Bij Kuyper vinden
we die ware mystiek, verdicht in meditaties.
Mystieke
meditaties
Kuyper is
zich ook heel bewust van de gevaren op de weg van de mystiek. In zijn Voorrede
op Nabij God te zijn schrijft hij dat de hier gebundelde meditaties de
‘Verborgen Omgang’ met het Eeuwige Wezen raken: het gaat om overpeinzing van
mystieke stof. ‘Evenals al wat zich in de diepte der Mystiek waagt, school ook
hier in de overpeinzing ontegenzeggelijk gevaar. Zoo neigt vanzelf de ziel, die
God zoekt, er toe, om de grens, door het ‘nabij’ God gesteld, te overschrijden, en tot in het wezen Gods te
willen indringen. Voor dit gevaar was het oog van meet af open, en ik meen er
aan ontkomen te zijn.’
Er is
echter ook nog een ander gevaar: ‘omgekeerd mocht de vreeze voor deze afdoling
niet terughouden van die innigheid der gewaarwording en die geestelijke warmte,
die dán eerst onze ziel verkwikt, als gevoel opgewekt is en verbeelding wakker
wordt. Enkel denking is de overdenking niet. Ze is nog iets anders, en juist
dat andere is (...) onafwijsbare zielsbehoefte.‘
Kuyper
waarschuwt voor een intellectualistische veruitwendiging van ons vroom-zijn,
ons geloven, ons belijden. ‘Het denken schiet dan keurig belijnde en fijn
gehoekte, schitterend-doorzichtige ijskristallen, maar onder dat ijs vloeit zoo
licht de stroom van het levende water
weg.’ Zijn meditaties over het zijn van de ziel nabij God bedoelen dan ook ’de
ziel van het afgetrokkene in leer en leven naar het wezen der religie terug te
trekken; bedoelen haar, bij alle waardschatting van het scheikundig ontleden
der geestelijke wateren, terug te leiden naar de levende Bron zelve, waaruit de
wateren vlieten.’
Naast
diep-bevindelijk en mystiek zijn Kuypers meditaties ook nog eens juweeltjes van
taalkunst. Kuyper was een taalkunstenaar. Hij speelt met woorden, en vooral met
beelden: hij neemt ze op, weegt ze, proeft ze, kijkt ernaar. Het is ook Kuypers
beeldspraak die zijn meditaties tot op vandaag levend houden.
Iets van
dit alles wil ik laten zien door Kuyper zelf aan het woord te laten. Uit Nabij
God te zijn kies ik voor de eerste meditatie in de eerste bundel en de
laatste meditatie in de tweede bundel. Ik citeer enigszins vrij.
Nabij God
te zijn
In de eerste meditatie, bij Psalm 73:28,
maakt Kuyper een onderscheid tussen liefde voor God hebben, en God liefhebben.
(Tussen haakjes: dat is precies dezelfde onderscheiding als die van J.I. Packer
tussen
kennis over God en kennis van God!)
Liefde voor God te hebben is iets heel anders, iets veel zwakkers, dan
te kunnen zeggen: ik heb God lief.
Liefde voor God kan hoog van zin, kan ernstig zijn; kan zelfs tot een
ontvonken van heilige geestdrift in staat zijn, zonder dat de ziel nog gemeenschap
met de Eeuwige verwierf, zonder dat er nog sprake kwam van een verborgen omgang
met God; zonder dat de hoge God nog zijn God werd; zonder dat de ziel
het nog als in hartstocht uitriep: God heb ik lief.
Als het uit de ziel weerklinkt: God heb ik lief! dan wordt de idee, dan
wordt het begrip, dan wordt het wezen van het Eeuwige Wezen verpersoonlijkt.
Dan wordt die God een Herder die ons leidt, een Vader die ons
geestelijk genereerde, een Bonds God met Wie we in bond staan,
een Vriend die ons zijn vriendschap biedt, een Heere in Wiens
dienst we staan, de God onzes vertrouwens, niet meer alleen God, maar onze
God.
Zo kunt ge lange jaren liefde voor God hebben gehad, maar
zonder dat ge God nog kendet.
Dat kennen van God komt eerst, als de liefde voor God
een persoonlijk karakter begint aan te nemen; als ge voor het eerst op
uw levensweg God ontmoet hebt; als de Heer u een Ik tegenover uw ik
is geworden is; als God en gij in een bewuste, levende, persoonlijke,
bijzondere relatie zijt getreden.
Hij uw Vader, gij zijn kind.
Niet maar één van de kinderen van God, neen, zijn kind
op een eigen wijs, in een persoonlijk verband, weer anders dan andere kinderen
Gods.
De intiemste gemeenschap die zich in hemel of op
aarde denken laat.
Hij uw Vader, uw Herder, uw Zielsvriend
en uw God!
Kuyper weet
dat er veel mensen zijn die dat niet uit ervaring kennen, maar er wel naar
verlangen. Mensen die verlangen naar geestelijke groei in de diepte, die
heimwee naar God hebben.
En dat heimwee kan voorbereiden op hoger. Want als het tot
een ontmoeting
met God zal komen, gaat het van beide zijden. God komt tot
hem, en hij komt tot God. Eerst van verre. Dan al naderbij. Tot uiteindelijk
alle afstand wegvalt. En dan
is de ontmoeting er. Een ogenblik van nooit uit te
spreken volzaligheid.
Nabij is vlak bij God, zodat uw oog Hem ziet, uw hart Hem
gewaar wordt, uw oor Hem hoort en al wat tot dusver scheidde wegviel.
Nabij op één van deze twee wijzen: of doordat gij u als
opgetrokken voelt in de hemelen, of doordat uw God uit de hemelen neerdaalde,
en u opzoekt waar gij zijt, in uw verlatenheid, in uw kruis, of bij uw
levensvreugde, die uw deel werd.
Dat ’nabij’, het spreekt uit, dat er, o zo veel is, dat
scheiding tussen u en uw God maakt. Zo overveel, waardoor gij dan weer alleen
staat, eenzaam zijt, en u verlaten gevoelt, doordat uw God weer van u weg is,
of gij weg zijt van uw God. Maar dat ge daar geen rust bij hebt, dat ge dit
niet uit kunt houden. Dat dan alles weer in u naar Hem trekt. Tot wat scheidde,
weer wegviel. En dan komt de ontmoeting weer, dan is Hij weer nabij u
gekomen, en weet gij weer nabij uw God te wezen.
Dorsten
naar God
In de laatste meditatie van de
tweede bundel, bij Psalm 42 : 2, vinden we de volgende passages:
Geen meer dan twintig eeuwen hebben de goudglans van het
onsterflijk lied, ons in Psalm 42 toegekomen, kunnen verdonkeren, en, bij al de
bittere vervreemding van God, die in brede kring thans het leven kentekent,
stemt ook nu nog onverdeeld de lof van de priesters der kunst met de zielstoon
van de gekochten des Heeren samen, om de zang van het ‘hert dat schreeuwt naar
de waterstromen’ hoog te stellen boven alle andere lyriek, waarin het heimwee
van ons menselijke hart roept naar de Oorsprong van ons leven.
Wat hier zo machtig aangrijpt is de passie, die in
heel deze psalm trilt, de hartstocht, die heel dit heerlijk lied zwellen
doet.
‘Nabij God te zijn’ is onze zaligste gewaarwording, en,
tegen verleiding en verzoeking in, kan onze bijna bezweken ziel zich toch van
de wereld af- en naar God toewenden, naardien een stem van binnen ons
toefluistert, dat wie God verzaakt, de vrede in eigen hart verstoort.
‘Alzo schreeuwt mijn ziel naar God! Mijn ziel dorst naar
God, naar de levende God!’
Dat levende is hier natuurbeeld.
Er is water dat stilstaat, dood is, moerassig wordt en
bederft, en daarom ongeschikt is om het levensbloed van mens en dier te
verfrissen. Daarom schreeuwt het hert niet maar naar water, maar naar de waterstromen
d.i. naar hetfrisse, kletterende, stromende water dat leeft.
En zo nu ook, roept de zanger, ‘schreeuwt mijn ziel, ja dorst
mijn ziel, naar de
levende God’. Niet naar een belijdenis van God, niet naar
een voorstelling van God, niet naar een herinnering van God, niet naar een
Goddelijke majesteit, die ver van de ziel, als een God in woorden of phrasen
tegenover haar staat, maar naar God zelf, naar God in zijn heilige uitstorting
van kracht en genade, naar God die leeft, die in zijn leven zich naar u
toebeweegt, met zijn leven u doortintelt, en in heilige liefdebetoning, zich
als levende God aan u en in u openbaart.
Gij gevoelt het, hier valt weg alle geleerdheid, alle dogma,
alle formule, al wat uitwendig en afgetrokken is, al wat in woorden zich
overgiet, om in het woord te verdorren. Het is niet uw begrip, niet uw
verstand, niet uw denken, niet uw redeneren, zelfs niet uw belijden, dat hier
de dorst kan stillen.
Het heimwee gaat naar God zelf uit, tot ge in de koestering
van uw ziel, de warmte van zijn Vaderhart aan uw eigen hart gevoelt. Het is
niet de Naam van uw God, maar God zelf dien uw geest begeert, en niet
derven kan, God zelf in zijn levensuitstraling, en het is die uitstraling van
zijn leven, die u doortintelen moet, en tot in het bloed van uw ziel moet
worden opgenomen.
Afronding
Wie
verlangt naar geestelijke groei en verder wil komen in de Omgang met God, kan
heel veel leren van Kuyper. Maar zijn meditatiebundels liggen wel uit de band
(of nog erger: bij oud papier). Er is in onze gereformeerde traditie als het
gaat om het nadenken over onze Omgang met God inderdaad veel materiaal
voorhanden, maar het het gaat niet aan om gemeenteleden anno 1996 te verwijzen
naar publicaties van rond de eeuwwisseling. Eigentijdse Schriftoverdenkingen
zijn er genoeg. Maar echte meditaties, die zijn geschreven in de sfeer van de
Omgang met God en die de lezer brengen in de sfeer van de Omgang met God, vind
ik maar zelden. Maar dat kan natuurlijk ook aan mijn beperkte gezichtsveld
liggen.
Aantekeningen:
-
A. Kuyper,
Nabij God te zijn. Meditatiën, Kampen 1908 (twee delen).
-
Richard F. Lovelace, Dynamics of Spiritual Life. An Evangelical Theology of Renewal, Exeter 1992 (oorspr. 1979). Het
gegeven citaat is te vinden op p. 181.
-
B. Wentsel, De Heilige Geest, de kerk en de
laatste dingen. De persoon en het werk van de Heilige Geest. Dogmatiek
deel 4a, Kampen 1995. De door mij aangehaalde opmerkingen van Wentsel zijn te
vinden op p. 824 en p. 883.
-
De opmerking van V. Hepp is te vinden in De Reformatie 1
(1920-1921) nr. 7: ‘Het geheim van zijn kracht school volgens ons in zijn
diepe, geloovige mystiek. (...) Kuyper was een mystieke figuur, die met
Augustinus, Thomas à Kempis, Pascal op één lijn kan worden gesteld. Misschien
breken er tijden aan, dat zijn theologisch-wetenschappelijke werken
hoofdzakelijk door godgeleerden van professie zullen worden geraadpleegd, dat
zijn staatkundige geschriften slechts door een beperkten kring van mannen zal
worden nageslagen, maar zijn meditaties zullen onder het gereformeerde volk een
blijvende bron van zielsgenot zijn, vele eeuwen lang.’
-
P.Y.de Jong, Foreword, in: A. Kuyper, In the Shadow of Death. Meditations
for the Sickroom and at the Sick-bed, Audubon 1993.
-
De titels van Kuypers meditatiebundels zijn: Honig uit
den rotssteen (I: 880, II: 1883), Dagen van Goede Boodschap (I-IV:
1887-1888), Gomer voor den Sabbath (1889), Voor een Distel een Mirt (1891),
In de schaduwe des doods (1893), Als gij in uw huis zit (1899), Zijn
uitgang te Jeruzalem (1901), In Jezus ontslapen (1902), Vier uwe
vierdagen (1904), Nabij God te zijn (I-II: 1908).
-
In het 2000ste nummer van De Heraut (21 mei 1916)
schreef Kuyper een meditatie over de meditatie. Ik geef het begin ervan
door: ‘Een Meditatie is iets heel anders dan een leerstellig betoog, en
verschilt geheel van een Schriftuitlegging. Gaat ge mediteeren, dan trekt ge u
uit uw gewonen gedachtengang in het heilige terug. Ge scheidt u er niet mee af
van de wereld, maar werpt u toch niet meer zoo klakkeloos op de werkelijkheid,
waarmee ze zich anders aan u opdringt. Los laat ge de wereld dan in uw
Meditatie wel niet, maar ze wordt u bijzaak, terwijl hoofdzaak in de Meditatie
eeniglijk is en blijft het u inleven met uw gewaarwordingen in de gemeenschap
met het Eeuwige Wezen. In de Meditatie legt de ziel aan de wereld het zwijgen
op, om alleen wat God tot de ziel spreekt, te beluisteren.’
-
Ik
wijs er ook nog op dat Kuyper zelf over mystiek (en mysticisme) schreef in: Drie
kleine vossen, Kampen 1901,45-74. Overigens is hier ook inhoudelijk de
driedeling Leer, Omgang, Leven terug te vinden: Kuyper bespreekt
achtereenvolgens het intellectualisme, het mysticisme en het practicisme als de
drie kleine vossen die de wijngaard (het kerkelijk leven, het leven met God)
kunnen bederven.
-
Er is
in onze kring voorzover ik weet niet zo veel over meditatie geschreven, maar
zeker mogen hier niet onvermeld blijven de bijdragen van prof. H.M. Ohmann
(Mediteren wij nog wel? in: Nederlands Dagblad van 11 maart 1989) en ds.
T.S. Huttenga (Moeten gereformeerden mediteren?; Mediteren hoef je niet alleen;
Alleen zijn met God; Mediteren: mooi, maar. .. in de Gereformeerde Kerkbode
van het Noorden van 10, 17 en 24 november 1995 en 17 mei 1996). Ook aardig
is het (al wat oudere) gegeven dat K. Schilder in zijn lijfblad artikelen van
ds. Kruyswijk uit Hilversum overnam over ‘Mediteeren’ (De Reformatie 10
(1929-1930) nrs. 17, 18,20 en 21).