Preek zondag 9 april 2006
Dat ben ik, en u
zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien
komen op de wolken van de hemel.
Marcus 14:62
Ik val maar met de deur in huis vanmorgen. De centrale vraag
is deze keer: ben je voor of ben je tegen? Nou kan voor of tegen over van alles
gaan. Over Rita Verdonk bijvoorbeeld of Mark Rutten. Over de verbouw van de
Fonteinkerk. Over een bandje in de kerk. En dat zijn allemaal dingen waar veel
over wordt gepraat. Maar vanmorgen gaat het over de Here Jezus. En de centrale
vraag is: ben je voor Jezus of ben je tegen Jezus? En dan probeer ik eerst even
uit te leggen wat dat dan inhoudt.
Voor Jezus zijn betekent: dat je de vergeving van je zonden
alleen bij Hem zoekt, dat je de leiding in je leven alleen van Hem verwacht,
dat je je met heel je hart aan Hem overgeeft, dat je je in de concrete keuzes
die je moet maken in je leven, op je werk, in je relaties laat leiden door de
vraag: wat zegt Jezus door zijn Geest tegen mij, dat je erkent dat je buiten
Hem om God niet kunt kennen, dat je Hem kent en ervaart als je grootste schat
en dat je in zijn voetspoor wilt gaan.
Tegen Jezus zijn betekent: dat je Hem afwijst, dat je Hem
minacht, dat je Hem dood wilt hebben, dat je Hem kruisigt. Dat is allemaal vrij
extreem. Het kan ook mildere vormen aannemen, bijvoorbeeld dat je zegt: ‘Jezus
Christus, best belangrijk, maar er is nog veel meer.’ Of dat je je ergert aan
Hem en aan zijn Naam. Of dat je zegt: ‘In 80 procent van mijn leven mag Jezus
het voor het zeggen hebben, maar de resterende 20 houd ik voor mezelf.’
Ben je voor Jezus of ben je tegen Jezus? Of is dat een
ongepaste vraag in de kerk? Moeten we er hier vanuit gaan dat iedereen van
Jezus Christus houdt, omdat je anders toch niet in de kerk zou zitten?
Dan moeten we wel bedenken dat het gebeuren in Marcus 14
vers 55-66 zich afspeelt in de kerk. Jezus staat midden tussen het volk van
God. Sterker nog: Hij staat oog in oog met de kerkelijke leiders van die tijd.
En die willen maar één ding: Jezus moet dood. Want Jezus was voor hén,
kerkelijke leiders, een uitermate gevaarlijk Persoon. Hij werd namelijk door
velen uit het volk op handen gedragen omdat Hij onderwees, niet zoals de
Schriftgeleerden, maar met gezag. De mensen waren onder de indruk van zijn evangelie.
Hij had wel wat te zeggen, dit in tegenstelling tot de Schriftgeleerden. Deze
Jezus, die gevaarlijke Persoon, was uitermate confronterend maar ook eindeloos
zachtmoedig, volkomen eenvoudig en ongelooflijk wijs. En Hij was God. Tenminste
die indruk wekte Hij. En Hij zei het ook. Maar dat kon toch niet waar wezen.
Want de God van de kerkelijke leiders was een God van geboden en eisen en
regels, een God van ‘zo hoort het’, een God van de gevestigde orde.
In zijn boek ‘Jutten. Over de verrassingen van God’ -
winnaar publieksprijs christelijke boek 2006 - schrijft Reinier Sonneveld het
zo: ‘Als je de evangeliën leest, komt Jezus over als een uitzonderlijk
evenwichtige, begaafde en liefdevolle man. Voor iemand die zoveel invloed heeft
gehad en zoveel mensen heeft geïnspireerd, kan dat ook moeilijk anders. Maar er
is één element dat het beeld verstoort. Deze wijze man zegt: ik ben God. Dat
zeggen alleen krankzinnigen. Zo reageerde dan ook de gevestigde orde, in de
taal van die tijd (die minder plat is dan de onze): ‘Hij is bezeten door de
duivel’.
Past dat allemaal wel in ons beeld van wie Jezus is? Hebben
we onze gedachten over Hem misschien toch te veel gestileerd en gepolijst. Is
Hij voor ons nog wel die tegendraadse Profeet, die Man die altijd weer anders
is dan we dachten, die kwam voor zieken en niet voor mensen die zichzelf gezond
vinden? En ergert het ons misschien ook wel dat er zo over Jezus gesproken
wordt, dat Jezus zo exclusief is in zijn uitspraken?
Hoe is het toch mogelijk dat Jezus zulke verschillende
reacties losmaakt? Juist toen ik deze dingen aan het overdenken was tijdens de
voorbereiding van de preek, kreeg ik een mailtje binnen. Hij kwam van de
redactie van ManagementSite.nl, waar ik wel eens kom omdat organiseren en
managen een niet onbelangrijk deel van mijn werk uitmaakt. De titel van dat
mailtje luidde: Heerlijk en verschrikkelijk! In die mail stonden die twee
woorden voor de typering van een boek over Veranderingskunde. Maar ze passen
ook precies bij de Here Jezus: Hij is heerlijk en verschrikkelijk tegelijk. En
waarom is dat zo? Omdat Hij uit is op verandering. Hij wil ons veranderen, ons
weghalen uit onze egocentrische levens, onze vertrouwde patronen en ons nieuw
leven geven, het leven van de Geest.
En voor wie zich aan Hem overgeven als hun Heer en Redder is
Hij heerlijk. Het is een vreugde om Hem te kennen. Maar voor wie dat niet doen,
voor wie Hem op afstand houden en vasthouden aan zichzelf, is Hij
verschrikkelijk.
Hij is verschrikkelijk. Dat vinden in elk geval de kerkelijke
leiders van die tijd. Maar wie zijn dat nu eigenlijk precies? Ze staan keurig
op een rij in vers 53 en 55: alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden
(53) en het hele Sanhedrin (55). Als we even bij de laatste beginnen: het
Sanhedrin of de hoge raad was de
rechtbank van het joodse volk. De zittende hogepriester was de voorzitter. Het
Sanhedrin bestond uit 70 leden en die behoorden tot de hogepriesters,
schriftgeleerden en oudsten. De leiders van het volk waren dus ook de rechters.
En deze groep is nu dus bij elkaar om recht te spreken over
Jezus. Nu leeft wel de gedachte dat dit Sanhedrin wat mensen van buiten bij
elkaar haalde, om ze valse getuigenissen tegen Jezus te laten afleggen. Maar
dat is toch niet waar. Het Sanhedrin is zelf een tijdlang bezig om een
sluitende getuigenverklaring tegen Jezus rond te krijgen.
En dan moet je er dus even bij stil staan dat juist de
hogepriesters daarbij een heel belangrijke rol spelen. Ze zijn dagelijks in de
tempel om daar offers te brengen. Voor de verzoening van de zonden. Ze zijn
vertrouwd met de Here, tenminste daar mag je vanuit gaan. Ze kennen de bijbel
waarin geprofeteerd wordt over de messias, de ware Hogepriester. En nu staan
deze mannen, met een boos, verbitterd en verbeten hart hun best te doen om Jezus
te doden. Want dat besluit was allang gevallen. Kijk maar in Marcus 14 vers 1:
‘De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem door
middel van een list gevangen te nemen en te doden.’
Maar het lukt niet erg. Het is eigenlijk een beetje een
beschamende vertoning. Heel droog staat er in vers 55: ‘Maar dat lukte hun
niet’. En dan gaat het nog een keer mis (vers 56): ‘want hoewel veel mensen een
valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet eensluidend.’ En dan
nog een keer, als het geprobeerd is via Jezus’ uitspraak dat Hij de tempel zou
afbreken (vers 59): ‘Maar ook op dit punt waren de getuigenverklaringen niet
afdoende.’ Het is echt zwaar genant. Het is gewoon heel slechte rechtspraak.
Broddelwerk.
En dan staat de voorzitter op: de hogepriester. En hij stelt
de vraag waar het allemaal om draait: ‘Bent u de messias, de Zoon van de
Gezegende?’ En we voelen het aan: dit is geen puur informatieve vraag. Van het
antwoord hangt nu alles af. Jezus heeft tot dan toe gezwegen. Hij is niet voor
zichzelf opgekomen, Hij ging niet in de verdediging, Hij onderging het allemaal
als lijden dat erbij hoorde omdat Hij zijn leven wilde offeren, ook voor die 70
mannen.
Maar dan verbreekt Jezus het zwijgen. Temidden van al die
boze, gefrustreerde stemmen, klinkt de krachtige, zachtmoedige, heldere stem
van Jezus. Hij spreekt: ‘Ik ben…’, zegt Hij. ‘Ik ben…’. Herkent u de woorden? Zo heeft God zich
voorgesteld aan Mozes, bij de brandende braamstruik. ‘Ik ben, die Ik ben.’ En
Jezus heeft die woorden zich eigen gemaakt: Ik ben… het licht voor de wereld.
Ik ben… de ware Wijnstok. Ik ben… de goede Herder. Ik ben…die Ik ben.
Ja, hogepriester, Ik ben het. Ik ben de Mensenzoon - en
jullie zien mij nu (een stuk vuil waar jullie vanaf willen), maar jullie zullen
mij zien aan de rechterhand van de Vader, en komend op de wolken van de hemel.
En daarmee roept Jezus bekende bijbelwoorden in herinnering.
Psalm 2: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt. Vraag
het mij en ik geef je de volken in bezit, de einden der aarde in eigendom.’
Psalm 110: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, ik maak van je
vijanden een bank voor je voeten.’
Daniël 7: ‘In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met
de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de
oude wijze en werd voor hem geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap
verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem.
Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen,
zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.’
Maar het bestaat dus dat je bijbelleest, vertrouwd bent met
het Oude Testament, en toch finaal langs de Messias heenkijkt. Kijk maar naar
die 70 mannen. Ze vormen de gevestigde orde. Ze kennen de bijbel van binnen en
van buiten. Jezus, de Mensenzoon, die daar tegendraads staat te zijn, een gevaar
voor de gevestigde orde, omdat Hij een totaal andere orde komt vestigen, het
rijk van liefde en vrede - deze Jezus kijkt het Sanhedrin in de ogen, en Hij
ziet hún gezichten, verbeten, gefrustreerd. Maar Hij kijkt ook in onze ogen. En
wat ziet Hij dan? Ziet Hij in onze ogen bewondering of afkeuring? Ziet Hij
aanbidding of minachting? Ziet Hij liefde of haat?
Jezus wil ons aanraken met die woorden: Ik ben, de
Mensenzoon, Ik zit aan de rechterhand van God, Ik kom op de wolken van de
hemel. Het Sanhedrin heeft die dag in de geschiedenis een keuze gemaakt,
verwoord en verbeeld door de hogepriester: zijn kleren scheurend roept hij:
‘dit is godslastering!’ Waarom roept hij dat? Omdat hij trots is en hoogmoedig:
wie durft de gevestigde orde tegen te spreken! Omdat hij niet ontvankelijk is:
zijn hart zit potdicht en hij weigert de gedachte toe te laten dat alles toch
anders zou kunnen zijn dan hij altijd heeft gedacht.
En zo staat de Here Jezus vanmorgen ook voor ons. Hij heeft
geleden voor onze zonden. Hij verzoent ons met de Vader. Maar Hij deed dat als
de Mensenzoon, die tegenspraak oproept, die de gevestigde orde omver werpt, die
hier en nu al laat zien dat zijn koninkrijk er niet een is van lieve vrede,
maar van hemelse vrede, en dat is een vrede met scherpe kantjes.
Welke keuze maken wij? Want hier is alle vrijblijvendheid
verdwenen. Helemaal nu we Avondmaal gaan vieren. Het draait maar om deze ene
vraag, om deze ene werkelijkheid: Is Jezus uw Volkomen Verlosser? Mag Hij
helemaal uw Verlosser zijn, inclusief zijn tegendraadse kanten die ons onrustig
maken? Zijn wij voor Hem of tegen Hem?
Laten we bidden…